Verhoging minimumloon in vooruitzicht

Vakbonden aangesloten bij de Raad van Vakcentrales (Ravaksur), staan unaniem achter het verhogen van de minimumlonen. Volgens Armand Zunder, voorzitter van de Progressieve Werknemers Organisatie (PWO), is er bij de laatste verhoging van het minimumuurloon in 2016, geen rekening gehouden met de economische recessie, waardoor werknemers op basis van het algemeen uurloon van SRD 6,14 nu 52,32 procent minder verdienen.
Volgens Zunder waren na vijftien jaar grondige bestudering van het minimumloon, alle partijen samen met het ministerie van Arbeid, het erover eens dat het minimumloon verhoogd zou worden.
Tijdens de regering Bouterse 1, is het minimumloon in drie fasen verhoogd in 2015, 2016 en 2017. In 2015 is het minimumloon verhoogd naar SRD 4,29, in 2016 naar SRD 5,22 en in 2017 naar SRD 6,14. Bij de verhoging in 2016, is er volgens Zunder geen rekening gehouden met de economische recessie van 2015, deze zorgde voor een hoge inflatie en een sterke daling van de koopkracht. Sinds 2015 steeg niet alleen de koers, maar zijn ook de brandstofprijzen en de goederen in de winkels gestegen.
Hoewel het minimumuurloon in 2015 nominaal SRD 4,29 was, bedroeg het als gevolg van de koopkrachtdaling in principe SRD 4,08. Vooral in 2016 was de daling enorm. Toen bedroeg het uurloon als gevolg van de koopkrachtdaling in principe slechts SRD 3,24, terwijl de nominale waarde gesteld was op SRD 5,22. Vanaf 2017 bedraagt het minimumuurloon nominaal SRD 6,14. Dit bedrag vertaald naar een 48-urige werkweek, komt neer op een algemeen minimumloon van SRD 1178,88. Met de inflatie waarbij het minimum uurloon vervalt tot een bedrag van SRD 3,13 daalt het bedrag naar SRD 563,65. “Wat kan een persoon in een maand kopen met dit bedrag. Mensen komen niet uit en hebben daarom twee tot drie banen”, zegt Zunder.
Op basis hiervan vindt Zunder dat de minimumlonen in overleg met de werkgevers, de werknemers en de overheid, moeten worden aangepast. Het moet volgens hem niet zo zijn dat als gevolg van de verhoging, bedrijven gaan sluiten en mensen werkloos worden. Er moet rekening mee gehouden worden dat bedrijven ook economische klappen hebben gehad. Dialoog is volgens hem belangrijk in deze kwestie, die al onder de aandacht van de minister van Arbeid is gebracht.
Hoewel het minimumloon wettelijk is vastgelegd, houden niet alle werkgevers zich hieraan en zijn er nog steeds werknemers die veel minder dan het minimumloon verdienen. Het ministerie van Arbeid is in dezen het controlerend orgaan, maar dat heeft volgens Zunder ook te kampen met problemen vanwege de recessie. Zo zijn er voor het uitvoeren van controles niet alleen flink aantal arbeidsinspecteurs nodig, maar ook voertuigen. “Dit probleem moet integraal worden aangepakt’, stelt Zunder.
Een ander probleem is dat werknemers niet op de hoogte zijn van de wettelijke regels, waardoor zij niet kunnen opkomen voor hun rechten. Zunder zegt dat hierin is voorzien door de oprichting van de Algemene Werknemersbond (AWB). Werknemers die geen vakbond hebben, kunnen zich bij de AWB aansluiten, waardoor ook hun belangen behartigd kunnen worden. Zunder geeft aan dat pompbediendes, callcenter agents, administratieve medewerkers, casinopersoneel, winkelpersoneel, interieurverzorgsters, bouwvakkers, vuilophalers etcetera, zich bij de AWB kunnen aansluiten.
“Heel wat werknemers werken langer dan de wettelijke vastgestelde acht uren, terwijl het verschil niet aan hen wordt uitgekeerd in overuren. Ook bij ziekmeldingen komen heel wat werkgevers met allerlei trucjes over wat ze wel en niet uitkeren. Op al deze aspecten moet de vakbond inspelen”, aldus Zunder.

-door Priscilla Kia-