COVID-WET HOLT CENTRALE BANK UIT

Date

 Op de website van het Bureau voor de Staatsschuld zijn onder de noemer ‘binnenlandse leenovereenkomsten’ enkele schulden van de overheid opgenomen die naar onze mening, de moederbank verder hebben uitgehold. In de file van binnenlandse leenovereenkomsten 2020 staat vermeld, dat de Centrale Bank van Suriname op 28 april van dit jaar

Miljarden geleend

Op de website van het Bureau voor de Staatsschuld zijn onder de noemer ‘binnenlandse leenovereenkomsten’ enkele schulden van de overheid opgenomen die naar onze mening, de moederbank verder hebben uitgehold. In de file van binnenlandse leenovereenkomsten 2020 staat vermeld, dat de Centrale Bank van Suriname op 28 april van dit jaar, een overeenkomst betreffende een lening is aangegaan met de staat. Deze geconsolideerde schuldovereenkomst is ondertekend voor een bedrag van SRD 8.524.391.330. De algemene doelstelling van deze geconsolideerde schuldovereenkomst is in het kader van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 van 9 april 2020. De rente is 9 procent per jaar en de looptijd is 30 jaar, inclusief een uitstelperiode van 1 jaar. Vervolgens werd er op 18 mei een leenovereenkomst getekend voor een bedrag van SRD 648.800.000 aan schatkistpapier in het kader van Artikel 21 van de Bankwet van 10 oktober 1956. Deze lening staat op de balans onder de post ‘voorschotten op de staat’. Deze voorschotten zijn tegen de Bankwet, omdat die al eerder is getrokken. Deze transactie is dan wel in lijn met de richtlijnen van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19, maar Keerpunt heeft al meerdere keren erop gewezen, dat deze ‘noodwet’ speciaal in het leven is geroepen om de Bankwet en andere wetten opzij te kunnen schuiven. Daarnaast is er op 27 mei 2020 een bedrag van SRD 400.000.000 ter beschikking gesteld aan de overheid. De algemene doelstelling van deze overeenkomst is in het kader van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 van 9 april 2020. De voorwaarden van beide leningen zijn tegen een rente van 9 procent en een looptijd van 1 jaar. De regering Bouterse II heeft deze spoedwet in april aangenomen die betrekking had op een burgerlijke uitzonderingstoestand (Wet Uitzonderingstoestand COVID-19). Deze wet had te maken met het onder controle houden van de coronapandemie en is ter uitvoering van artikel 72 c van de Grondwet. De regering nam deze wet aan, omdat zij al voor de COVID-19 pandemie wist, dat buitenlandse investeerders niet geïnteresseerd waren om de Surinaamse overheid überhaupt nog geld te lenen, getuige de kredietwaardigheid van ons land. Daarnaast had Suriname sinds het begin van dit jaar, geen ruimte meer in het schuldenplafond, als er gelet werd op de Wet op de Staatsschuld. Het is geen geheim, dat de overheid geen geld heeft om haar reguliere uitgaven te dekken. De verwachting was al dat dit fonds als een dekmantel zou worden gebruikt en niks meer. De regering zal het noemen: “in het kader van COVID-19 maatregelen’’. Het is ook meer dan duidelijk met de betalingsachterstanden die wij de afgelopen weken hebben gezien inzake Oppenheimer en het baggerproject. Ook de verplichting om salarissen uit te betalen, kon de regering Bouterse niet meer nakomen, daarvoor moest geld geleend worden. Alles is de afgelopen maanden geplaatst onder de noemer ‘COVID-19’, maar een ieder beseft inmiddels, dat het niet de schuld van ‘COVID’ is dat deze financiële crisis dubbel zo hard aankomt voor Surinamers.

More
articles