Suriname gaat verkeerde kant, risico’s nemen gestaag toe

“Ons land gaat de verkeerde kant op en de risico’s nemen gestaag toe. Er is dan ook behoefte aan bijsturing en hervorming. Zowel onze eigen deskundigen als diverse internationale organisaties, hebben een scala van aanbevelingen gedaan om de economie weer vlot te trekken. Onze beleidsmakers hebben hiermee echter vooralsnog te weinig gedaan.” Zo sprak Jim Bousaid, oud-directeur van de Hakrinbank, in zijn rede tijdens de traditionele nieuwjaarsreceptie van de Verenging van Economisten in Suriname (VES) op 23 januari in jongstleden Torarica. Hij stond stil bij de minder gunstige economische ontwikkelingen die zich al geruime tijd in ons land voordoen en riep op om met hart en ziel op de juiste plaats voor Suriname, ons in het vervolg meer inzetten voor een betere samenleving en met bezieling weer op weg gaan naar duurzame welvaart en voorspoed. Zijn volledige rede luidt als volgt:

Zeer geachte aanwezigen,
Ik acht het een voorrecht om vandaag de traditionele nieuwjaarsrede voor de Vereniging van Economisten te mogen uitspreken. Juist in deze tijd, aan het begin van het jaar, zijn wij in de gelegenheid om terug te blikken en over onze toekomst na te denken. Vaak worden wij dan overmand door gemengde gevoelens. Enerzijds voelen wij ons gezegend om te leven in dit prachtige en unieke land. Anderzijds maken wij ons ernstige zorgen over de minder gunstige ontwikkelingen welke zich hier al geruime tijd voltrekken.
Het is goed dat wij elkaar nu wederom een gelukkig en voorspoedig Nieuwjaar toewensen. Gelet op het thema waarop ik dadelijk zal ingaan, is het voor de hand liggend dat ik ook hier de wens uitspreek, dat wij erin zullen slagen het in 2017 ingezette proces voort te zetten, gericht op het goedmaken van het gedurende de twee voorgaande jaren geleden welvaartverlies. Laten wij in 2019 meer stappen vooruit zetten op de weg naar duurzame ontwikkeling en voorspoed.
Het is een mooie traditie van de VES om aan het begin van elk jaar stil te staan bij de toestand van onze economie, te meer omdat onze vereniging gezag heeft verworven. Haar opinies zijn professioneel en hebben het langetermijnbelang van ons land en volk voor ogen. Deze opinies zullen met de parlementsverkiezingen van 2020 in het vooruitzicht van groter belang worden, omdat vooral politici en de met hen verbonden belangengroepen in deze periode hun eigen verhaal aan ons zullen proberen te verkopen. Dit verhaal wordt echter niet steeds gedragen door de juiste feiten en logica, maar is veeleer gebaseerd op het streven naar stemmenmaximalisatie voor hun eigen partij.
Bij mijn evaluatie van de economische ontwikkelingen in 2018 en bij de vooruitblik op 2019, heb ik gekeken naar de vertrouwde macro-economische kernvariabelen en hun effecten op onze economie. Ik heb daarbij steun gevonden in het in december 2018 uitgekomen IMF (Internationaal Monetair Fonds) Article IV Staff Report over Suriname dat jaarlijks wordt uitgebracht. Het rapport heeft feitelijk het karakter van een verslag van het landenexamen. Het bevat data, prognoses en analyses over onder meer de overheidsfinanciën en de staatsschuld, het monetaire beleid, de betalingsbalans en over de reële sector. Op basis hiervan worden de nodige adviezen en waarschuwingen gegeven om het proces van toenemende risico’s waarmee onze economie wordt geconfronteerd om te buigen. Dit zorgwekkende proces zet zich vooralsnog voort, mede omdat de beleidsvoerders te weinig en te laat inspelen op gewijzigde omgevingsfactoren en te weinig oor hebben voor onderbouwde adviezen van deskundigen.
Ook ons eigen Planbureau presenteert nu lezenswaardige halfjaarrapporten over de ontwikkelingen in de lokale en wereldeconomie. Ik complimenteer het bureau hiervoor, maar betreur tegelijkertijd dat er zo weinig met zijn adviezen wordt gedaan. Ondanks lacunes in het beschikbare cijfermateriaal en de onvoldoende transparantie over en inzicht in feitelijke ontwikkelingen, kan ik nu gedocumenteerd ingaan op de markante ontwikkelingen in onze economie.

1. Reële groei bbp
Ik begin met een teleurstellende constatering. De mondiale recessie heeft de economie van Suriname hard getroffen, zelfs harder dan vergelijkbare grondstoffenproducerende landen. Gedurende de jaren 2015 en 2016 kromp het reële bruto binnenlands product (bbp) in totaal met ruim 9 procent. Hierbij heeft de beëindiging van de aluinaardeproductie ook een rol gespeeld, zij het dat deze beëindiging vooral het gevolg is geweest van structurele factoren, zoals vooral het verlies aan comparatief voordeel. De mondiale recessie heeft de zwakheden die in onze economie schuilen pijnlijk boven de oppervlakte gebracht.

Aan het in 2013 ingezette proces van krimpende groei en afbrokkelende productievolumes, lijkt in 2017 echter een voorzichtig einde te zijn gekomen. In het laatstgenoemde jaar nam het bbp met 1,7 procent toe, terwijl bij ongewijzigd beleid voor 2018 en volgende jaren gerekend wordt met een jaarlijkse groei van gemiddeld ruim 2 procent. Bij deze cijfers plaats ik de volgende opmerkingen:
– (1) Ondanks de groei van het bbp in 2017 en 2018, is het productieverlies als gevolg van de recessie van 2015-2016 nog niet goedgemaakt. Bij het thans verwachte groeitempo zal het nog ongeveer drie jaar duren, dus tot 2022, alvorens deze productie weer op het niveau van voor de recessie, dus van 2014, terechtkomt.
– (2)Sectoraal bezien is de groei uitermate onevenwichtig. Zij wordt goeddeels gedragen door de vergroting van de goudproductie en in mindere mate door de consumptief geaarde overheidsbestedingen. Onze midden- en kleinbedrijven bevinden zich als geheel nog steeds in recessie, zij het dat wellicht ook daar het ergste achter de rug lijkt te zijn. Ik merk op dat de omslag naar een lichte economische groei niet het resultaat is van een goed doordacht saneringsplan. De fundamentele onevenwichtigheden zijn gebleven en zelfs verergerd en bedreigen daarom duurzame groei.
De niet-minerale sectoren kampen met een samenstel van structurele knelpunten, waardoor hun feitelijke productie verder onder hun technisch haalbaar niveau ligt. Een mogelijk bijkomend probleem is dat de continuïteit van onder meer de bananensector wordt bedreigd als Suriname de Economic Partnership Agreement met de Europese Unie niet ratificeert.
– (3) Bij ongewijzigd beleid blijven de groeivooruitzichten achter bij het gemiddelde van vergelijkbare landen. Hopelijk kunnen deze vooruitzichten naderhand opwaarts worden bijgesteld. Dit is mogelijk indien wij erin slagen de productie een extra impuls te geven, onder andere door te profiteren van de zich voltrekkende expansie in Guyana. Daar wordt als gevolg van de oliebonanza in de komende tijd, een uitzonderlijke jaarlijkse groei verwacht van gemiddeld 16% procent per jaar.
– (4) Anderzijds moeten wij er rekening mee houden dat de mondiale conjunctuur aan het afzwakken is, nadat zich een uitzonderlijk lange opleving heeft voltrokken. Deze afzwakking kan in 2020/2021 omslaan in een milde recessie. Factoren die hier meespelen, zijn de dreigende handelsoorlogen gepaard gaande met verminderde economische integratie, de afbouw van fiscale en monetaire stimuleringsprogramma’s in de geavanceerde landen, rentestijgingen en geopolitieke spanningen.
– (5) De verwachte verflauwing van de mondiale conjunctuur zal zoals gebruikelijk, haar weerslag hebben op de Surinaamse export. In dit klimaat kunnen de prijzen van goud en olie stagneren en wellicht ook onder neerwaartse druk komen te staan. Bij toekomstscenario’s moet dus prudentie in acht genomen worden, hetgeen wij missen bij onze beleidsmakers die kennelijk een toekomstige olie- of goudbonanza verwachten. Dit is een risicovolle verwachting, waarvoor ook het IMF de Surinaamse beleidsvoerders heeft gewaarschuwd.

2. Betalingsbalans
Na een verbetering in 2017 liep het tekort op de lopende rekening in 2018 op van 0,1 procent tot 2,4 procent van het bbp als gevolg van vermindering van het overschot op de handelsbalans en enige toename van het tekort op de dienstenbalans. Hiertegenover stond een instroom van kapitaal, waaronder overheidsleningen. Bijgevolg sloot de totale rekening met een overschot van 3,7 procent van het bbp.
Verwacht wordt dat de verzwakking van de lopende rekening zich voorlopig zal voortzetten, omdat de import van goederen en diensten de export zal blijven overtreffen. Hierbij speelt de ruime liquiditeit in de economie een rol, welke het gevolg is van financieringstekorten van de overheid die monetair worden gefinancierd door de commerciële en de staatsbanken. Ik kom hier later op terug.

3. Monetaire reserve
Het in 2018 gerealiseerde overschot op de totale rekening van de betalingsbalans, weerspiegelde zich in de monetaire reserve, die in 2018 met ruim USD 130 miljoen of 30 procent toenam tot circa USD 552 miljoen, overeenkomende met bijna 4 maanden import van goederen en diensten. De oorzaak van deze groei schuilt niet primair in onze eigen economische inspanningen. Zij was vooral het gevolg van het gedeeltelijk neerslaan van kapitaalimporten in de balans van de Centrale Bank. Van invloed was ook de vervroegde terugbetaling van een lening van USD 261,5 miljoen door Staatsolie N.V. aan de staat. Verder speelde de overname door dit bedrijf van in het bezit van de staat zijnde aandelen in Newmont voor USD 76 miljoen (totaal USD 337,5 miljoen). Anderzijds had de Bank ook verplichtingen in deviezen op haar balans. Een deel van de vreemde valutategoeden van de staat bij de Centrale Bank is gebruikt voor schuldaflossing en de financiering van begrotingstekorten en dat zal ook in 2019 het geval zijn.

Een ruime netto buitenlandse valutapositie van de Centrale Bank, tot uitdrukking komend in een solide balans, is van onmisbaar belang om de stabiliteit in de externe waarde van onze munt en daarmee ook haar interne waarde te waarborgen, te meer omdat in de hoge US-dollariseringsgraad van de bancaire sector een meer dan normaal risico schuilt. In dit verband is het voor de beleidsvoering en transparantie van belang dat de Centrale Bank een tabel publiceert, welke inzicht geeft in de achterliggende reële dan wel financiële oorzaken van de veranderingen in haar monetaire reserve en netto buitenlandse valutapositie.

4. Wisselkoers
Na een opeenvolging van depreciaties van de wisselkoers sinds 2010 waarbij de koers van een Amerikaanse dollar steeg van SRD 2,80 tot SRD 7,60 of met ruim 170 procent, lijkt er in 2017 een zekere rust op de valutamarkt te zijn terug gekeerd. Door het vertrouwenseffect uitgaande van de toename van de monetaire reserve, alsook dankzij goed overleg en samenspel tussen de belangrijke marktpartijen met de Centrale Bank, bleef de koers ook in 2018 beheersbaar.

Voor 2019 moet rekening worden gehouden met een toenemende druk op de wisselkoers als gevolg van aanhoudende excessieve financieringstekorten van de staat, ruime monetaire verhoudingen (overliquiditeit), alsook met het verwachte tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans en met een verminderde kapitaalimport. Alle stakeholders zullen zich dan ook extra moeten inzetten om de wisselkoers op het juiste spoor te houden. Hierbij is het gewenst het wisselkoersbeleid van de Centrale Bank te intensiveren om de effecten van kortstondige en niet-fundamentele schokken op te vangen. Voorts zal voortvarend moeten worden gewerkt aan het onder controle brengen van de fundamentele onevenwichtigheden in onze economie. Gebeurt dat niet, dan is een depreciatie van de koers verwachtbaar.

5. Inflatie en koopkracht
Het inflatietempo, gemeten aan de hand van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie, liep terug van een hoogtepunt van 55,5 procent in 2016 tot 7 procent in 2018. Op zich is dit een vermeldenswaardige prestatie, maar de inflatie was nog steeds te hoog indien rekening wordt gehouden met de stabiliteit van de wisselkoers en met het feit dat de inflatie bij onze belangrijkste handelspartners schommelt rond de 2 procent. De cijfers impliceren dat de inflatie vooral werd veroorzaakt door interne factoren, wat een vermindering van onze concurrentiepositie inhield. Deze constatering houdt ook in dat wij de diverse kostencomponenten in toom moeten houden en onze productiviteit dienen te verhogen.

Er is weinig reden tot zelfingenomenheid. De sinds 2014 getroffen beleidsmaatregelen en andere binnenlandse factoren resulteerden immers in een cumulatieve toename van de prijsindex van circa 120 procent. Ook indien rekening wordt gehouden met een gemiddelde aanpassing van de lonen met 50 procent, betekent een en ander dat de koopkracht van de burgers in de aangeduide periode met ruwweg 70 procent kromp. Ook hun vermogens verdampten navenant. Wij zijn dus allemaal veel armer geworden. Bij voortzetting van de huidige trends zal het jaren duren alvorens wij wat betreft onze reële inkomens- en vermogenspositie, weer op het niveau van 2014 terechtkomen.

Wij zullen meer moeten doen om de inflatie verder terug te dringen. Het ingezette proces van dalende inflatie verloopt te langzaam en is kwetsbaar. Daarom moeten wij de condities scheppen om de wisselkoers minstens op het huidige niveau te kunnen handhaven, te meer omdat na 2020 de prijseffecten van de onvermijdelijk te nemen fiscale maatregelen, zoals de introductie van btw (belasting over de toegevoegde waarde) en afbouw van energiesubsidies, zich zullen doen gevoelen. Hier ligt er ook weer een complex dilemma. Mede door het overheidsbeleid zijn wij armer geworden, maar tegelijkertijd zullen wij noodgedwongen meer offers moeten brengen om de overheidsfinanciën en de reële economie op orde te krijgen. Wij kunnen nu eenmaal niet ontsnappen aan de economische wetmatigheid dat de staat niet duurzaam meer kan uitgeven dan hij verdient.

6. Overheidsfinanciën
Dames en heren, ik acht het noodzakelijk om nu wat langer stil te staan bij de ontwikkeling van de overheidsfinanciën, omdat er naar mijn inzicht een zorgwekkende discrepantie is ontstaan tussen de feitelijke ontwikkelingen op dit terrein enerzijds en de algemeen aanvaarde theoretische grondbeginselen met betrekking tot deugdelijk management van deze financiën anderzijds. Wij ondervonden op pijnlijke wijze welke nadelen deze discrepantie voor ons met zich bracht. Veel andere landen worstelden met soortgelijke ervaringen. Wij moeten echter de wijsheid en moed hebben lessen te trekken uit het verleden en ophouden met het verkondigen dat onze problemen louter en alleen het gevolg zijn van een van buiten op ons afkomend niet te stuiten noodlot.

Theorie en ervaring leren ons dat gezonde overheidsfinanciën en een goed doordacht budgettair beleid cruciaal zijn voor een evenwichtige en stabiele economie. Wij weten ook of wij zouden moeten weten dat anderzijds onevenwichtige staatsfinanciën en een zwak beleid de stabiliteit en duurzame groei van de economie ondermijnen. Hier spreekt de historie van ons land voor zich.

Sinds 1982 lieten wij de traditie van het voeren van een prudent financieel beleid los en bouwden wij een track record op van periodiek voorkomende perioden van macro-economische instabiliteit. De initiële impuls kwam steeds uit het buitenland, maar werd naderhand versterkt door een contraproductief overheidsbeleid dat niet tijdig en adequaat inspeelde op de gewijzigde omgevingsfactoren. Zo werden nauwelijks voorzieningen getroffen om het hoofd te bieden aan de gebruikelijke en verwachtbare sterke schommelingen van de prijzen van onze minerale producten. Ons indisciplinair intern beleid werkte bijgevolg procyclisch, vooral omdat een toevlucht werd genomen tot monetaire financiering uit binnenlandse bron van te omvangrijke financieringstekorten. Aanvankelijk werd met dit doel de Centrale Bank ingeschakeld, terwijl na 2016 toenemende beroepen werden gedaan op de commerciële en de staatsbanken.

Wij ondervonden pijnlijk, dat gegeven onze kleinschalige en eenzijdige productiestructuur en het hoge aandeel van de import in de binnenlandse bestedingen, de budgettaire en monetaire stimulering slechts zeer kortstondig leidde tot reële groei. Daarna volgde een zichzelf versterkend proces van inflatie en wisselkoersdepreciatie, dat al spoedig de productieve activiteiten ondermijnde en de armoede vergrootte.

Hier deed zich de zogenaamde ‘Paradox van de armoede’ gevoelen, die inhoudt dat onoordeelkundig financieel beleid gericht op verbetering van de leefomstandigheden van de bevolking averechts werkt en uiteindelijk slechts extra armoede veroorzaakt.

Ik besef dat ik niet kan volstaan met het louter maken van kritische opmerkingen, maar ook moet aangeven welk soort budgettair en monetair beleid vanuit een economisch perspectief dient te worden gevoerd om daadwerkelijk bij te dragen aan duurzame ontwikkeling.
Ik besef ook wel dat politici met een korte tijdhorizon over dit belangrijke thema een andersoortige visie koesteren en andere doelstellingen nastreven.
Met hun visie kan ik echter niet meegaan, omdat zij onvoldoende of geen rekening houden met de negatieve gevolgen die op langere termijn voelbaar worden.

Voor mij staat allereerst vast dat macro-economische stabilisatie het voeren van een anticyclisch begrotingsbeleid vereist. De grondgedachte hiervan is eenvoudig: streven naar een begrotingsoverschot in tijden van hoogconjunctuur en bij neergaande conjunctuur dient uiteraard een tegenovergestelde politiek gevoerd te worden. Zodoende kunnen conjunctuurschommelingen afgezwakt worden. Hiervan was er gedurende de afgelopen jaren geen sprake; het beleid werkte veeleer procyclisch, terwijl in structurele zin te weinig werd gedaan om de economie meer schokbestendig te maken en op een hoger niveau te brengen. Naar mijn overtuiging lag hier en niet primair buiten onze eigen schuld, de grondoorzaak van de crisis waarin wij in 2015-2016 verzeild raakten. Bij een deugdelijk beleid hadden wij de effecten van de mondiale recessie op onze economie kunnen matigen, in plaats van deze te accentueren zoals feitelijk ook gebeurde.

Naar mijn oordeel faalde ons structureel en conjunctureel beleid, waardoor ons welvaartsniveau lager dan haalbaar was bij een goed en consistent beleid. Het is ongetwijfeld juist dat de mondiale recessie ons heeft geraakt, maar het is evenzeer juist dat we mede door kortzichtige politieke overwegingen, niet afdoende op de recessie hebben gereageerd. Het ontbreken van een realistische begrotingsnorm, waaraan bij voortduring strikt de hand wordt gehouden, doet zich hierbij gevoelen. Laten wij met de komende parlementsverkiezingen in het vooruitzicht niet in dezelfde fouten vervallen en de uitgaven ongecontroleerd verhogen. Het politieke argument dat voorafgaand aan verkiezingen de uitgaven extra moeten worden verhoogd, snijdt naar mijn oordeel economisch geen hout en is op termijn schadelijk voor ons land. De overheidsbegroting 2019 laat dan ook een zorgwekkend beeld zien. Ik ondersteun de brief van de VES om de begroting te herzien en het tekort terug te dringen.

Van belang voor het herstel van gezonde overheidsfinanciën is dat diverse instituten, zoals de Centrale Bank, het Planbureau en het Bureau voor de Staatsschuld, hun verantwoordelijkheid nemen en de regering en het parlement betrouwbare adviezen geven over het te voeren beleid. Dit gebeurde niet altijd. Daarom moeten wij het voorbeeld volgen van de leiding van de centrale banken in de Verenigde Staten en India, die in december 2018 een krachtig standpunt innamen om hun onafhankelijkheid ten opzichte van de zittende regering te borgen. De recente wisseling van de wacht binnen de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Suriname, draagt bij aan de zorgen over de onafhankelijkheid van deze instelling.

Het weer op het juiste spoor brengen vereist het intensiveren van het fiscale beleid. Ik onderken dat, maar de instrumenten van dit beleid moeten doelmatig en weldoordacht worden ingezet om verstoring van de allocatie van de schaarse productiefactoren en nadelige effecten op de economische efficiëntie te beperken, alsook om investeringen en groei te bevorderen.

Zo bemoeilijken de huidige energiesubsidies de ruimere benutting van goedkopere en duurzame energiebronnen zoals zonnepanelen. Ook verhullen zij de eigenlijke armoede onder delen van de bevolking. Hetzelfde geldt voor bescherming van de sociaal zwakkeren mede door middel van herverdeling van inkomens en vermogens. Op deze wijze moeten wij voor degenen die het echt nodig hebben een sociaal vangnet bouwen en niet onze toevlucht nemen tot de verstrekking van pakketten levensmiddelen. Een goed sociaal vangnet is ook noodzakelijk voor een goed uit te voeren saneringsplan voor de Surinaamse economie. Er wordt nog te weinig gedaan om deze doelstellingen van het budgettaire beleid optimaal te verwezenlijken.

7. Staatsschuld
– (1) De voorgaande opmerkingen voeren mij als vanzelf tot de problematiek rond de staatsschuld. Ik heb vaak genoeg mijn zorgen geuit over de snelle groei van deze schuld, die intussen een zorgwekkend niveau bereikte, terwijl een verdere toename wordt verwacht. Opvallend is dat bepaalde politici zich hierover minder zorgen maken. Zij wijzen daarbij op de bedrijvigheid die de besteding van de opgenomen leningen mogelijk maakt en op de concessionele voorwaarden waaronder de meeste leningen werden verkregen. De discussie wordt overigens te vaak vertroebeld door het naar voren brengen van allerlei oneigenlijke en onzakelijke argumenten.

Vanuit mijn optiek bezien is het op grond van mijn rijpe ervaring opgedaan in het academisch onderwijs en in de bancaire sector, voor de hand liggend dat ik bezorgd ben over de verdubbeling van de schuld sinds 2014. Berekeningen indiceren dat de schuld is opgelopen tot bijna 80 procent in 2017, terwijl de feitelijke schuld feitelijk wellicht al hoger is. De geconstateerde daling in 2018 werd veroorzaakt doordat de eerder genoemde van Staatsolie verkregen gelden deels werden gebruikt voor schuldaflossing. Na deze incidentele daling zal de schuld naar verwachting weer oplopen, gelet op de aanhoudende tekorten op de overheidsbegroting. De schuld vloeit deels voort uit de financiering van infrastructurele projecten. Ik vraag mij echter af of dergelijke projecten, zoals de voorgenomen renovatie en uitbreiding van de luchthaven te Zanderij, voldoende inkomsten en deviezen voor de Staat zullen genereren om aan de leningsverplichtingen te voldoen.

Mijn zorg met betrekking tot de schuldenproblematiek wordt ook gevoed door aanpassingen van de Wet op de Staatsschuld, die de oorspronkelijk bedoelde disciplinerende werking en de signaalfunctie van deze wet goeddeels uitholden: definities werden aangepast en bepaalde componenten van de schuld werden niet langer meegerekend. Als klap op de vuurpijl werd de wet in 2017 zodanig gewijzigd dat het schuldplafond onder bepaalde voorwaarden kan worden overschreden met toestemming van De Nationale Assemblee. Hierdoor werd een uiterst risicovolle situatie gecreëerd, dankzij de steun van de meerderheid in de assemblee.

In dit verband merk ik nog op dat het obligoplafond van 60 procent van het bbp aanvankelijk werd ingesteld voor geavanceerde landen en naderhand werd overgenomen door de Caricom, inclusief Suriname. Ik acht het niet van wijsheid getuigen om deze norm ook te hanteren voor landen van deze organisatie, aangezien haar lidstaten doorgaans niet beschikken over een omvangrijk en gediversifieerd productieapparaat en omdat het aandeel van de import in hun binnenlandse bestedingen relatief hoog is. Dergelijke landen zijn minder schokbestendig en doen er daarom goed aan bij hun beleidsvoering uit te gaan van een norm van hooguit 40 procent van het bbp. Veelzeggend is dat de actuele schuldquote van deze landen gemiddeld circa 40 procent beloopt. Hier loopt Suriname met een schuldquote van bijna 90procent van het bbp, dus erg uit de pas.

-(2) Over de samenstelling van de staatsschuld merk ik het volgende op. De buitenlandse is 2,2 keer groter dan de binnenlandse, wat ongunstig en riskant is, gelet op de beperkte schokbestendigheid van Suriname en onze track-record van periodieke devaluaties. Ook is onze sovereign rating van B- riskant laag. Dit is de allerlaagste non-investment grade en bemoeilijkt de toegang tot de internationale kapitaalmarkt. Juist om deze reden deed de voormalige president van de Centrale Bank, de heer (André) Telting, al wat mogelijk was om het aandeel van de buitenlandse schuld alsook de totale schuld laag te houden.

De hoge schuld en haar samenstelling bergen meer dan normale risico’s in zich. Illustratief is dat een berekening op pagina 41 van het meergenoemde IMF Report, indiceert dat een depreciatie van de SRD van 33 procent tot SRD 10 de Debt to GDP-ratio zal doen stijgen van bijna 90 procent tot circa 145 procent van het bbp. Een dergelijke depreciatie is, gezien de fundamentele onevenwichtigheden in de economie en het trage tempo van hervorming van de economie, niet ondenkbeeldig. Het IMF spreekt zelf van een hoge waarschijnlijkheid. Na een gedegen analyse van de schuldpositie van Suriname, concludeert het IMF op pagina 39 van het Article IV Staff Report over Suriname, dat “Most indicators of the debt profile vulnerabilities of Suriname exceed their upper early warning thresholds”.

-(3) Hier komt bij dat het aandeel van de bancaire sector in de binnenlandse schuld relatief hoog is. Voor de Centrale Bank beliep het aandeel 45 procent en voor de overige banken 39 procent per eind 2017. Laatstgenoemd aandeel steeg verder tot SRD 2,52 miljard ofwel 45 procent per ultimo november 2018. Hierdoor ontstond een ongewenste vervlechting tussen de staat en de bancaire sector wat een hoog contaminatierisico inhoudt. Als de staat in default geraakt wordt, kan het bankwezen dus meegezogen worden in de crisis. Transparantie over deze schuldverhoudingen en extra prudentieel toezicht door de Centrale Bank is dan ook noodzakelijk.

-(4) Sinds kort worden wij geconfronteerd met stijgende rentes op de buitenlandse staatsschuld. Deze stijging zal naar verwachting doorgaan. Aangezien circa 30 procent van de buitenlandse leningen tegen een flexibele rente werd aangegaan, moet ook uit deze hoofde rekening worden gehouden met hogere lasten voor de staat. Mede om deze reden pleit ik voor publicatie van een realistische cashflow projectie in vreemde valuta om beter inzicht te krijgen van de werkelijke schuldverplichtingen van de staat in relatie tot zijn aflossingscapaciteit. Ik schat in dat al nu zal blijken dat de staatsschuld niet goed aflosbaar is. Dit brengt het risico met zich mee dat het schuldenvraagstuk naar de toekomst toe nijpend wordt.

-(5) Op grond van de zojuist aangegeven redenen, pleit ik nadrukkelijk voor ombuiging van de oplopende schuldtrend. Met dit doel moet een beleid worden geformuleerd waarbij financieringstekorten van de Staat binnen een periode van bijvoorbeeld drie jaren worden omgebogen in overschotten door uitvoering van realistische budgettaire acties. Hier rust een zware verantwoordelijkheid op de schouders van zowel de regering als De Nationale Assemblee, een verantwoordelijkheid die het college de afgelopen jaren onvoldoende heeft gedragen.

8. Monetaire Ontwikkeling
Op het monetaire front voltrekken zich ook ontwikkelingen die onze aandacht verdienen. Het is allereerst op zich verheugend, dat de in 2016 getekende gentlemen’s agreement tussen de minister van Financiën en de president van de Centrale Bank, wordt nageleefd. De
staat neemt op grond daarvan geen krediet meer op bij de Bank. Hiertegenover staat echter dat het beroep op de commerciële en de staatsbanken sindsdien fors toenam. De hiermee gepaard gaande geldschepping oefende dezelfde negatieve impulsen uit op de betalingsbalans en op het prijspeil als de impuls die uitgaat van het krediet van de Centrale Bank, zij het dat de schadelijke monetaire effecten van deze impulsen werden getemperd door de kapitaalinvoer.

Bovendien zette het beroep op de overige banken hun solvabiliteits– en liquiditeitspositie onder druk. Een bijkomend risico is dat private kredietvragers van de markt kunnen worden verdrongen wanneer de economie verder aantrekt. De kredietverlening aan de staat vergrootte het risicoprofiel van vooral de kleinere banken en de staatsbanken. Ik pleit daarom voor grotere transparantie met betrekking tot deze kredietverlening en intensivering van het prudentieel toezicht door de Centrale Bank. Zo zou de Centrale Bank kunnen eisen dat de banken een grotere buffer aan eigen vermogen aanhouden. Ook kan zij een maximum vaststellen voor krediet aan de staat.

Het is duidelijk dat het financieringsgedrag van de staat al te veel bijdroeg tot verruiming van de macro-economische liquiditeit. Anderzijds was de groei van de bancaire kredietverlening aan de private sector relatief beperkt gebleven en in procenten van het bbp zelfs gekrompen; dit als weerspiegeling van de flauwe binnenlandse bedrijvigheid door de recessie. Op pagina 15 van het IMF Report, wordt dan ook terecht de conclusie getrokken, dat “Monetary policy conditions are mostly appropriate although the recent pick-up in excess liquidity needs to be addressed, because it may create pressure on both the exchange rate and inflation”. Het rapport roept ook op tot modernisering van het monetaire instrumentarium en aanscherping van het prudentieel toezicht door de Centrale Bank. Ook dit advies ondersteun ik graag.

9. Diversificatie van de economie
Van oudsher steunt onze economie op twee pijlers, te weten de benutting van onze natuurlijke hulpbronnen vooral door de minerale sectoren en de toestroom van kapitaal uit het buitenland. De op de pijlers gebaseerde activiteiten brachten ons veel profijt, maar er waren ook schaduwzijden. De pijlers waren broos en instabiel, waardoor er eenzijdige afhankelijkheid van het buitenland ontstond en onze economie te weinig schokbestendig was. Wij moeten ons dan ook richten op versterking en diversificatie van deze pijlers om ons lot meer in eigen hand te kunnen nemen.

Ondanks goede intenties, werd op het terrein van de reële economie volstrekt onvoldoende succes behaald. Dit teleurstellende resultaat was te wijten aan een samenstel van factoren. Zo waren het instabiele macro-economisch klimaat en het zwakke institutionele kader, niet bepaald bevorderlijk voor het plegen van investeringen in de productieve sfeer. Er was verder sprake van een unease of doing business, maar ook van een tekort aan ondernemerschap, durf en moed.

Wij moeten alerter het hoofd bieden aan de uitdagingen in de productiesectoren. Daarom acht ik de activering van Investsur een eerste stap in de goede richting. De private sector en de overheid moeten het investeren in vooral de exportindustrie en in de dienstensector, waaronder de outsourcing, daadwerkelijk bevorderen om de gewenste additionele groei te bereiken. Dit vereist ook intensivering van het economisch aspect en heroriëntering van ons buitenlands beleid.

Om een beter en kwantitatief onderbouwd beeld van onze reële mogelijkheden tot productieverhoging te krijgen, is intensivering van de samenwerking met onder andere de UN Industrial Organization gewenst. Ik pleit er dan ook voor een integrale studie te maken om de sectoren en regio’s met comparatieve voordelen op te sporen, die in de kern levensvatbare ondernemingen kunnen herbergen. Dan weten wij beter in welke sectoren wij onze beperkte resources moeten investeren en welke ondernemers wij behoren te steunen.

10. Institutionele ontwikkeling
De effectiviteit en de efficiëntie van het stelsel van maatschappelijke organisaties is bepalend voor de mate waarin wij succes behalen bij het streven naar ontwikkeling van land en volk. Het is bekend dat landen met sterke instituties beter presteren dan landen met zwakke instituties. Vaak is geconstateerd dat onze instituties te zwak, onderontwikkeld en gepolitiseerd zijn. Ook vanuit deze optiek maken wij helaas nog deel uit van de groep van ontwikkelingslanden.

Dit is erg zorgelijk, omdat duurzame ontwikkeling sterke instituties en good governance vereist; condities die gedurende de afgelopen decennia merkbaar aan kracht hebben ingeboet, wat ook tot uitdrukking komt in de aanzwellende stroom van berichten over ondisciplinair gedrag, wanorde, onrechtmatig handelen en corruptie. Hopelijk zal de onlangs aangenomen Anticorruptiewet leiden tot verbeteringen op dit terrein. Daarom pleit ik ervoor deze wet zonder verder uitstel af te kondigen. Er ligt een grote uitdaging voor ons allen om sterke instituties op te bouwen en de governance te verbeteren. Wij moeten deze uitdaging met prioriteit tegemoet treden.

11. Slotopmerkingen

Dames en Heren,
Ik kom nu tot de afronding van mijn betoog. Zojuist heb ik een zakelijk, accuraat en actueel beeld geschetst van de toestand van onze economie. Het overall beeld is helaas per saldo niet fraai. Ons land gaat de verkeerde kant op en de risico’s nemen gestaag toe. Er is dan ook behoefte aan bijsturing en hervorming. Zowel onze eigen deskundigen als diverse internationale organisaties, hebben een scala van aanbevelingen gedaan om de economie weer vlot te trekken. Onze beleidsmakers hebben hiermee echter vooralsnog te weinig gedaan. Zij reageren zoals ik eerder opmerkte, te laat, te weinig en in bepaalde opzichten zelfs contraproductief. Wellicht spelen korte termijn politieke overwegingen hierbij een rol.

Vast staat wel dat niemand de wijsheid in pacht heeft en dat de realiteit vanuit verschillende invalshoeken wordt benaderd. Juist om deze reden is het noodzakelijk op serieuze wijze de maatschappelijke discussie te intensiveren over de beste wijze waarop wij het hoofd moeten bieden aan bestaande uitdagingen. Inzet, noeste arbeid en opoffering van ons allen zijn vereist om zo spoedig mogelijk het geleden welvaartsverlies goed te maken en de weg naar hogere voorspoed in te slaan. Dit is een grote uitdaging, maar er is in de huidige situatie geen ander deugdelijk alternatief.

Dames en Heren,
Wij staan aan het begin van een nieuw jaar. Mijn moeder zei altijd tegen ons: “Nieuw jaar, nieuw leven”, dat inspireerde ons gezin tot actie en correctie. Correcties zijn ook vereist op het economische vlak. Wij moeten het huidige ongunstige getij keren om de weg naar voorspoed weer in te slaan. Wij zijn ongetwijfeld daartoe in staat. Ons geliefd, mooi en potentieel rijk land biedt daartoe ruimschootse mogelijkheden.
Ik besef dat er over de weg naar voorspoed verschillend wordt gedacht. Ik heb echter een open geest, open ogen en oren. Alles wat ik heb gezegd, staat ter discussie. Ik en naar mijn overtuiging ook het bestuur en de leden van de VES, zijn bereid daarover van gedachten te wisselen en in debat te gaan met wie dan ook. Daardoor worden wij wijzer en kunnen meer bijdragen aan het bereiken van de gewenste voorspoed.

Laten wij met ons hart en ziel op de juiste plaats voor Suriname, ons in het vervolg meer inzetten voor een betere samenleving en met bezieling weer op weg gaan naar duurzame welvaart en voorspoed.