‘Ontwikkeling Suriname afhankelijk van externe factoren’

Terugblikkend staat duidelijk vast dat de ontwikkeling van Suriname eenzijdig en dominant afhankelijk was en is van externe factoren, wat zijn economische positie kwetsbaar en risicovol maakt. Bovendien werden wij rond het midden van dit decennium ge-confronteerd met de ontmanteling van de aluinaarde-in-dustrie door het verlies van haar comparatief voordeel. Geluk-kig kon dit verlies in belangrijke mate worden gecompenseerd door de uitbreiding van de activiteiten in de olie- en goudindustrie. Dit zei prof. Anthony Caram op 22 september in Reeuwijk/ Nederland tijdens het congres van de Stichting FinanceSuriname van Den-nis Lapar met als titel: ‘De goederen-, diensten- en geldstroom van/naar Suriname’.
Caram gaf een historisch overzicht van onze economie vanaf de staatkundige onafhankelijkheid van ons land tot heden.
Uitgangspunt van zijn betoog was dat wij bij de beleidsvoering gedurende de afgelopen periode van 43 jaar voornamelijk hebben gesteund op twee pijlers, te weten de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en op de internationale samenwerking. “Dit is een voor de hand liggende keus, gegeven het nog onvolgroeide productiepotentieel en het gebrek aan wijdverbreide comparatieve voordelen”, zei Caram. Hij gaf aan dat deze keus op zich wijs was, gelet op het feit dat de benutting van de natuurlijke hulpbronnen en van de verkregen ontwikkelingsgelden ons in belangrijke mate in staat hebben gesteld een redelijk bestaansniveau op te bouwen, te meer omdat bedoelde activiteiten positieve uitstralingseffecten hebben uitgeoefend op het klein- en middenbedrijf, alsook op de staatsfinanciën. Vooral gedurende de periode 1975-1982 en 2000 – 2012, hebben wij het volgens Caram relatief goed gedaan. Indien wij in die periode onze natuurlijke hulpbronnen niet benut hadden, zouden we nu een stuk armer zijn.
“Ons probleem is niet onze basis beleidsfilosofie, maar de wijze waarop aan deze filosofie concrete inhoud en uitvoering is gegeven. Bezien over het gehele hier beschouwde tijdvak, zijn wij er daardoor onvoldoende in geslaagd de mogelijkheden die de twee economische pijlers aan ons bieden, optimaal te benutten”, aldus Caram. Dit is volgens hem het gevolg van een complex samenspel van zowel externe als interne factoren en knelpunten. In dit verband noemt hij dat het accent van de beleidsvoering lange tijd te eenzijdig gericht was op de exploitatie en verwerking van bauxiet, terwijl bij de internationale samenwerking te eenzijdig werd gerekend op schenkingen uit Nederland.
Hij gaf aan dat een andere factor ook van belang is, namelijk de pijlers waarop onze economie traditioneel rust. Die bleken in de loop der tijd instabiel te zijn. Dit wordt volgens Caram veroorzaakt doordat de gang van zaken bij de op de export van grondstoffen gerichte pijler voor een belangrijk deel afhankelijk is van het grillige verloop van de mondiale conjunctuur, terwijl de tweede pijler te veel afhankelijk is van het politieke sentiment tussen de samenwerkende overheden.
De beperkte stabiliteit in de eerste pijler is vooral het gevolg van scherpe fluctuaties in de prijzen van onze belangrijkste exportproducten; aanvankelijk aluinaarde, en naderhand goud en aardolie. Zo was er gedurende een groot deel van de jaren ‘80 en ‘90 van de vorige eeuw en sinds 2013, sprake van zware neerwaartse prijsdruk, die een navenante invloed uitoefende op de algemene bedrijvigheid en op de staatsfinanciën.
Caram zei dat de druk van buitenaf werd vergroot door het van tijd tot tijd opschorten van de overdracht van schenkingsmiddelen door Nederland aan ons land en het uiteindelijk opzeggen van de samenwerking door de regering; dit alles op grond van politieke overwegingen. Met de ontmanteling van de aluinaarde-industrie komt volgens hem erbij kijken dat wij intern worden geconfronteerd met het ontbreken van continuïteit in de publieke beleidsvoering, die vooral het gevolg is van de wisselingen in de politieke machtsverhoudingen. Caram zei dat de effecten van deze wisselingen worden geaccentueerd door institutionele zwakte van de staatsorganen. Voorts speelt ook een gebrek aan visie, durf en ondernemerschap in de private sector een rol, alsook het beperkte succes bij het streven naar en het aantrekken van buitenlandse directe investeerders tegen voor alle betrokken partijen gunstige voorwaarden, mede als gevolg van het niet optimale investeringsklimaat en de unease of doing business.
De econoom zei dat na het verkrijgen van de staatkundige onafhankelijkheid, er een goede start is gemaakt met de beleidsvoering, waarbij het accent terecht werd gelegd bij het reële beleid op het streven naar verdere benutting van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen. De grondgedachte was dat de exportindustrie en niet de import vervangende industrie, in staat was te fungeren als de aanjagende motor van de economie. Caram gaf aan dat om deze redenen beschikbare publieke gelden in mindere mate gealloceerd worden voor projecten om te voorzien in de basisbehoeften van de bevolking. “Er werd dus gekozen voor een beleid dat pas op langere termijn vruchten zou afwerpen”, zei Caram.
Dit langetermijnbeleid droeg bij tot maatschappelijke onvrede en tot wisselingen in de politieke machtsverhoudingen, die gepaard gingen met fundamentele verschuivingen in de aard van het beleid van zowel de reële economie als van de financiering van budgettaire tekorten. Na de wisseling van de politieke macht in het begin van de jaren ‘80 van de vorige eeuw, richtte het beleid zich bijgevolg meer op projecten die naar verwachting op kortere termijn vruchten zouden afwerpen ter verlichting van de sociale noden van de bevolking. “Meer gelden werden gealloceerd voor het opzetten van kleinschalige bedrijven om te voorzien in de binnenlandse behoeften aan goederen en werkgelegenheid, daardoor raakte het export bevorderende beleid op de achtergrond”, verklaarde Caram.
Caram zei dat fundamentele veranderingen zich ook voltrokken bij de beleidsopvattingen die bij de diverse politieke beleidsvoerders overheersen met betrekking tot de financiering van de staatsuitgaven. Zo waren er voorzichtige beleidvoerders die ervoor zorgden dat gedurende de perioden dat zij aan de macht waren, de staatsuitgaven werden getemporiseerd zodra de bodem van de schatkist in zicht kwam, daar tegenover stonden activistische beleidvoerders die gedurende de periode dat zij aan de macht waren, een expansief financieringsbeleid voerden in een poging het door externe factoren veroorzaakte verlies aan bedrijvigheid en welvaart te compenseren. “Zij deden bijgevolg een fors beroep op de binnenlandse bronnen van geldschepping en naderhand ook op buitenlandse leningen die de leemte die door het wegvallen van de Nederlandse schenkingen moest opvullen, terwijl de inkomsten onder druk stonden”, aldus Caram. Hij zei dat het beoogde beleidsdoel hierdoor niet werd behaald met als gevolg dat er gekozen is voor geldschepping. Geldschepping leidt volgens hem nauwelijks tot een structurele vergroting van de binnenlandse productie, gegeven de specifieke eenzijdige productiestructuur van Suriname en het goeddeels vrije internationale handelsverkeer. Hij zei dat onder dergelijke omstandigheden, excessieve geldschepping leidt tot het op gang komen van een zichzelf versterkend proces van betalingsbalanstekorten, deviezenverlies, oplopende schulden, depreciatie van de waarde van de nationale munt, inflatie en verlies van vertrouwen bij investeerders en consumenten. “Per saldo resulteert dit proces uiteindelijk niet tot bevordering, maar tot aantasting van de algemene bedrijvigheid en van de welvaart van de bevolking”, benadrukte Caram.
Duidelijk is volgens Caram dat het gevoerde expansionistisch budgettair en monetair beleid, per saldo averechts heeft gewerkt door de versterking van de effecten van inzinking van de mondiale conjunctuur op de economie van Suriname. De reële groei was dan ook minder dan in de financieel stabielere tijden. Hij zei dat de negatieve effecten van het expansionisme op onze economie, ook blijken uit de devaluatie van de nationale munt van Suriname en van de staatsschuld. In 1975 bracht 1 Surinaamse gulden 55 Amerikaanse dollarcenten op, terwijl thans 1 Surinaamse dollar slechts 13 dollarcenten waard is. “Veelzeggend is ook dat in het zojuist genoemde jaar, de staat geen schulden van materiële omvang had, terwijl de staatsschuld in procenten van het bruto binnenlands product thans ruim 70 procent bedraagt”, aldus Caram.
De cijfers illustreren volgens hem dat ons huidige welvaartsniveau lager is dan het niveau dat potentieel haalbaar zou zijn in het geval van een meer consistente beleidsvoering met betrekking tot zowel de reële economie als tot de wijze van financiering van de staatsuitgaven. Hij gaf aan dat de doorgevoerde plotselinge en scherpe wisselingen in de beleidsfilosofie, de optimale benutting van de mogelijkheden die de twee pijlers bieden, hebben gehinderd en waardoor de groei van de economie en de welvaart van de bevolking onder druk kwam te staan. “Zij moeten in het vervolg beslist achterwege blijven”, zei Caram.
Op het congres hebben de volgende sprekers een presentatie gehouden: Robby Makka (Msc), werkzaam voor het ministerie van Financiën in Nederland als autorized economic auditor, deelgebied Belastingen en Douane en werkzaam op Schiphol, Hadassah Vorm, directeur van ORA Offshore Customs Consultancy; Simone Boon, sales-expert en Marketeer; Aldrin Ismail, informaticus; Vandana Gangaram Panday, manager Strategy & Business Development bij Staatsolie in Suriname. Aan het slot van het congres was er een vragenronde met bovengenoemde sprekers en de heer Jim Bousaid, algemeen directeur van Hakrinbank in Suriname.