Te gast bij de Aluku (slot)

De vrijbuiter en de onderdaan

Zouden ze elkaar kennen? De goudzoeker en tegelijk herenboer in het alleenstaande huis aan de rivier en de vastgoedman aan de andere kant van de Lawa. Hemelsbreed zouden ze elkaar bijna een hand kunnen geven.
In ieder geval zijn ze allebei Aluku én ondernemer pur sang. En wat dat laatste betreft treden ze in de voetsporen van hun voorouders na de ontdekking van goud ten westen van de Lawa in 1885. Die werden ook bevangen door de goudkoorts, maar menigeen specialiseerde zich liever in het vervoer van goederen en personen en andere hand-en-spandiensten. Eerstgenoemde ondernemer zou je nu een vrijbuiter of rebel kunnen noemen, de andere een onderdaan.
Le patron die me oppikte op het vliegveld van Benzdorp, staat immers op gespannen voet met de externe machthebber, die in navolging van zijn voorganger – het koloniaal bewind – hier gezag meent te mogen en moeten uitoefenen. In dat opzicht is hij glashelder: jij mag ons geen belastingen – in de breedste zin van het woord – opleggen, wanneer wij daar niets voor terugkrijgen. En dan werkt het natuurlijk bij uitstek in zijn voordeel dat hij zich ook fysiek met land en volk verbonden heeft.
Zijn huis is in 2000 gebouwd en hij is here to stay, met de uitdrukkelijke bedoeling zich met geld en ideeën ook voor ‘ontwikkeling’ in te zetten. Vandaar bijvoorbeeld die veeteelt. Zonder zich illusies te maken, want hij klaagt steen en been dat de mensen om zich heen niet vooruit te branden zijn. En waarom?
“Ze zien een vliegtuig in de lucht, maar ze hebben geen idee wat daar allemaal bij komt kijken.” Met andere woorden: zolang scholing uitblijft, kun je elke vooruitgang op je buik schrijven.
Dat klagen heeft hij overigens gemeen met zijn collega-ondernemer in Papaïchton. Met één verschil: in dit geval is alleen ‘de overheid’, vooral op lokaal niveau, de gebeten hond. Die is verantwoordelijk voor de gaten in het wegdek, laat na hem toeristen in zijn hotel te bezorgen, maakt water en stroom te duur en de belastingen zo zwaar en laat het radiostation de hele dag alleen maar stomme muziek uitzenden. Het referentiekader van de twee is duidelijk verschillend. De een heeft zich vrijgevochten en kent zijn beperkingen, de ander heeft zich stilzwijgend onderworpen en slaagt er niet in zijn zegeningen te tellen. Alsof niet meetelt dat hij het grootste deel van zijn leven in Cayenne, de hoofdstad van dit overzeese Franse gebiedsdeel, zoveel heeft verdiend dat hij hier op zijn geboortegrond een grote meneer kon worden.
De appel is trouwens niet ver van de boom gevallen, want zijn zoon Eric heeft het familie-imperium versterkt met een cybershop (annex reisagentschap) waar de nieuwste dingen te koop of te huur zijn en met, in dezelfde straat, een drietal appartementen voor langdurig verblijf.
En dan laat zijn vader zich lovend uit over het buurland Suriname, want daar is zóveel te koop in de winkels en hoeven ‘ze’ geen belasting te betalen…
Zoiets als een Verenigde Aluku Vrijstaat ligt niet meer zo voor de hand. Als dat al ooit een wenkend perspectief is geweest. Rebellen en onderdanen gaan niet zo goed samen. De eigen identiteit van de Aluku is aan de Franse kant goeddeels opgelost in een mengsel van sociale voorzieningen en welvaart. Aan de overkant kan die nog wat langer voortbestaan door de voorlopige mislukking van Suriname als eenheids- en rechtsstaat.
In het kader van de evolutie heeft natuurlijk geen enkel volk het eeuwig leven, maar op de middellange termijn is waarschijnlijk Albina2 een voorproefje van wat dit deel van de wereld nog te wachten staat.

Theo Ruyter