WIE WEL EN WIE WEER NIET?

Wie wordt in dit land na een klein of zwaar misdrijf, opgespoord, aangehouden, in verzekering gesteld, vervolgd en uiteindelijk veroordeeld? Een vraag die zeker het stellen waard is. Er gebeuren vreemde dingen in dit land en dat weten we allemaal.
Bepaalde mensen zijn ervan overtuigd dat Suriname gebukt gaat onder klassenjustitie. Feit is wel dat een ingrijpende gebeurtenis in onze geschiedenis heeft gemaakt dat er veel onduidelijkheid is ontstaan over wie nu wel of niet zullen worden vervolgd na het plegen van een misdrijf. Op 25 februari 1980 werd er in dit land een staatsgreep gepleegd en sindsdien kunnen bepaalde instituten niet meer naar behoren functioneren. Toen werd duidelijk dat door intimidatie, bedreiging en openlijke geweldpleging, het voor mensen binnen de opsporing en vervolging niet langer mogelijk was hun werk naar behoren, ongedwongen en in volle onafhankelijkheid, te doen. Tijdens de coup werd de procureur-generaal, mr. Maurits de Miranda, beschoten en moest in levensbedreigende toestand naar het ziekenhuis worden vervoerd, alwaar operatief ingrijpen noodzakelijk was. Vanaf dat moment was het duidelijk dat mensen met wapens bereid waren die tegen iedereen en elke instantie te gebruiken om zaken naar hun hand te kunnen zetten. De schendingen van mensenrechten konden vanaf dat moment plaatsvinden en ongestraft blijven, omdat geen ‘hond’ bij de opsporing en vervolging zijn hand aan bepaalde zaken wilde branden. Wij memoreren de moorden op de tandarts Ho Kan Yu en de ondernemer Rudi (Napper) Elias. Na een kort onderzoek werd het namelijk duidelijk wie verantwoordelijk waren voor deze halsmisdrijven. En zo werden nog velen na deze twee van het leven beroofd in een periode van machtsstaat. Moorden die betrekking hadden op de drugshandel, kwamen ook steeds vaker naar buiten, al mocht de pers meestal daar het fijne niet van weten, laat staan over melden. 8 december 1982 en de vele mensenrechtenschendingen daarna tijdens de strijd in het binnenland, gaven aan dat bepaalde mensen schotvrij konden blijven en dat ze een vrijbrief hadden om maar de mensenrechten naar believen te schenden.
De moord op de groep inheemse jongmannen onder leiding van Piko Sabajo, liet nogmaals zien dat de wetteloosheid zich meester had gemaakt in dit land. Een nieuwe benaming voor het niet kunnen onderzoeken en vervolgen van deze misdrijven, omdat het duidelijk was uit welke hoek ze werden gepleegd, heette ‘blinde muur’. In het kader van deze blinde muur werden ook geplaatst Moiwana 1986 en de afslachting van inspecteur Herman Gooding. Gerust kan worden gesteld dat ook op het Openbaar Ministerie (OM) het sinds 25 februari 1980 duidelijk is dat bepaalde mensen, gezien hun politieke bescherming, onschendbaar c.q. onvervolgbaar zijn en misschien ook in de toekomst blijven. Geen enkele procureur- generaal heeft na 25 februari 1980 zijn of haar werk op een normale wijze kunnen doen. Gewoon vanwege het feit dat politieke en niet-politieke misdadigers een voortdurende bedreiging vormen en dat ook duidelijk laten merken.
Voorbeelden te over om deze stelling te kunnen staven. Ook thans denkt men van-uit de uitvoerende macht het OM als pion te kunnen misbruiken om bepaalde verdach-ten straffeloos te houden. De vervolgingsambtenaren die binnen het OM werkzaam zijn, weten gezien hun ervaring en de dagelijks beschikbare informatie, wat hun mogelijkheden zijn en hoever hun vrijheid gaat bij het verrichten van hun taak. Het is dan ook niet terecht zware kritiek te leveren op mensen die onder zeer moeilijke omstandigheden moeten werken en niet gevrijwaard zijn van intimidatie en indirecte bedreigingen.