Overheid vertrapt zelf Wet Minimumuurloon

Met de aanname van de Wet Minimum Uurloon (WMU) in augustus 2014, welke in werking is getreden per 1 januari 2015, is er per wet vastgesteld dat aan een ieder die arbeid verricht of tegen betaling een dienst verleent, een minimuminkomen wordt gegarandeerd. Voorts is bij de aanname van de WMU vastgesteld dat de hoogte van het minimumuurloon gefaseerd zou worden doorgevoerd, namelijk:
* 1e fase m.i.v. 1 jan 2015 SRD 4,29
* 2e fase m.i.v. 1 jan 2016 SRD 5,22
* 3e fase m.i.v. 1 jan 2017 SRD 6,14

In een recentelijk verschenen artikel in Dagblad Suriname van vrijdag 6 januari 2017 onder de kop: ‘Algemeen minimumuurloon dit jaar SRD 6,14’, haalt de minister van Arbeid enkele punten aan:
1. Minister Soewarto Moestadja voelt zich geroepen om de achterhaalde hoogte van het minimumuurloon onder een vergrootglas te plaatsen. Het streven is om een eventuele aanpassing van de hoogte van het minimumuurloon op zijn laatst op 1 januari 2018 te bewerkstelligen.
2. De instelling van het minimumuurloon is volgens Moestadja bedoeld om alle personen die arbeid verrichten, een minimaal menswaardig bestaan te garanderen en dit instrument zal volgens hem zelfs welvaartsverhoging moeten bewerkstelligen.
3. Het wettelijk vastgestelde minimumuurloon is het laagste bedrag dat een werkgever verplicht is te betalen aan zijn werknemer als loon per uur.
4. De wet verplicht de werknemer om erop toe te zien dat zijn werkgever hem niet minder betaalt dan het vastgesteld minimumuurloon voor dit jaar. Als de werknemer constateert dat zijn werkgever hem niet tenminste het vastgestelde minimumuurloon uitbetaalt, dient hij terstond een klacht in te dienen bij de Arbeidsinspectie.
Hiertoe wil ik de minister van Arbeid erop attenderen dat de overheid, zijnde de grootste werkgever, deze Wet Minimum Uurloon reeds vanaf haar inwerkingtreding, heeft vertrapt. Dit staaf ik op basis van het volgende:
In de resolutie van 28 februari 2009 no. 1308/09, gepubliceerd onder SB2009 no. 29, houdende vaststelling van de bezoldigingsreeks per beroepsgroep, is er voor de overheid (zoals in de resolutie is opgenomen), in verband met het evenwicht van functies binnen en tussen de beroepsgroepen een functiewaarderingssysteem ontwikkeld, dat uniform toegepast wordt voor alle functies onder de werking van de personeelswet. Deze resolutie is voor het laatst gewijzigd op 7 december 2012 no. 12.197/12, gepubliceerd onder SB2012 no. 186, houdende verhoging van de bezoldigingsbedragen, te rekenen van 1 januari 2012 met 10%.
Conform de hierboven genoemde resoluties wordt de bezoldiging van de landsdienaar als volgt vastgesteld:

* Door middel van een functieweging zijn de functies binnen de ambtenarij gewaardeerd en gepositioneerd in 13 functiegroepen en
* Binnen de betreffende functiegroep vindt er op basis van een functiewaarderingsonderzoek door het Ministerie van Binnenlandse Zaken een onderscheid plaats in de schalen A, B of C.

De thans geldende bezoldigingsreeks binnen de overheid ziet er als volgt uit:
(kopie bezoldigingsreeksen)
In het Staatsbesluit van 31 mei 1976 no. 25, houdende richtlijnen m.b.t. toekenning van vergoedingen voor overwerk wordt er in artikel 6 een berekeningswijze gemaakt van het uurloon. Dit artikel gaat uit van een werkweek van 39.5 uur waarna men komt op het gemiddelde van 171 werkuren per maand op basis van de volgende formule (52 x 39.5) : 12.
Uitgaande van het aantal werkuren van 171 zoals vastgelegd in het Staatsblad van 31 mei 1976 no. 25 en mede in acht genomen het minimale loon van SRD 652,- zoals dat is aangeven in de bezoldigingsreek onder functiegroep 1A komen we op basis van een calculatie op een minimumuurloon van SRD 3,81 voor de landsdienaar (SRD 652 : 171).
Met de vaststelling van het minimumuurloon van SRD 6,14 per januari 2017 zal de hoogte van het minimumuurloon van een landsdienaar die ingeschaald is in functiegroep 1A met een minimale bezoldiging van SRD 652,= zal deze moeten worden opgetrokken naar SRD 6,14 x 171 = SRD 1049,94. Met andere woorden: er dient een minimale looncorrectie van 61% te worden doorgevoerd op de bezoldigingsreeks van deze landsdienaar. De calculatie van de 61% is als volgt:
SRD 1049,94 – SRD 652 = SRD 397,94
(SRD 397,94 : SRD 652) x 100% = 61.03%
Gelet op de functiegroepen 1 tot en met 3A P12 is het niet meer dan rechtvaardig dat de bezoldiging van deze landsdienaren zal moeten worden aangepast conform de WMU. Echter zal dit leiden tot een sneeuwbaleffect voor de gehele bezoldigingsreeks voor de landsdienaren.
Het schetst mijn verbazing dat niemand hierover rept. Ten zijde van de ondernemers is geenszins weerstand geboden, uitgaande van het feit dat de overheid wel de verplichting oplegt dat werkgevers verplicht zijn zich te houden aan de bij wet vastgestelde minimumuurlonen, maar dat daartegenover de overheid zich niet daaraan houdt. En anderzijds de werknemersbonden waarbij de CLO, een van de grootste vakbonden, geenszins opkomt voor de laagverdieners binnen de overheid.

Ingezonden: Mw. D. Sastrodihardjo
(dsastrodihardjo@gmail.com)